Kronieken

01)   BIJDRAGE AAN ‘SEIZOENEN VAN HET LEVEN’  
02)   MUZIEK OP BEEKVLIET EN WAT DAARNA GEBEURDE
03)   PRECIES TEGENOVER TRIANON
04)   MADONNA MET DE VLINDERS

05)  ECONOMISCH GEHANDICAPT
06)  “EN JE MOET HEM DE NAAM JEZUS GEVEN”
 

1  BIJDRAGE AAN ‘SEIZOENEN VAN HET LEVEN’  
Hedendaags getijden- en pelgrimsboek, Nijmegen 2015

Ik zie mezelf nog zitten in de zesde klas van de Heilig Hart school in de schaduw van de Heilig Hart kerk. De rij tegen de binnenwand tweede bankje van achteren onder een schoolplaat over Karel de Vijfde (1500, 1505, 1515, 1555). Het was zo’n uur dat je mocht lezen omdat al je opdrachten af waren en de “Dikke Eng” dan aandacht besteedde aan de trage leerlingen zoals hij hen  breeduit en vaak smalend noemde.
Ik had een boekje over het leven van Sint Franciscus gekregen en ik kan mij tot op de dag van vandaag intens herinneren hoe ik gegrepen werd door zijn levensverhaal. Het boekje hield me dagenlang in de greep, ja zoiets wilde ik ook. Toch voelde ik ook twijfels, die principiële armoede vond ik maar niks.
Zorgen voor, opkomen tegen onrecht jegens armen daar werd ik warm van, maar dan hoefde ik zelf toch niet arm te zijn….. Sociale verschillen als rijkdom en armoede waren toch normaal. Al had je wel de plicht om voor ‘de armen’ in eigen omgeving en de negertjes in Afrika geld in te zamelen, dat werd ons meegegeven.
Hoe klein wij ook waren, economische verschillen werden ons op talloze wijzen duidelijk. Zo kende de parochie een tweedeling tussen arbeiderswoningen en laat ik het maar ‘de andere woningen’ noemen. Met wie je bevriend mocht zijn werd ons indirect duidelijk gemaakt alleen al omdat het merendeel van misdienaars, koorzangers en welpen (waar ik allemaal toe behoorde) uit ‘de andere woningen’ kwamen. Onbewust ervoer je economische ongelijkheid als vervelend maar ook als een gegeven.

Boekje
Door het boekje over Franciscus stond mijn beroepskeuze vast: ik wilde priester worden. Mijn oom was Franciscaan, missionaris in de Punjab waar hij leraar klassiek talen was. Die dacht waarschijnlijk ‘aha’. Maar onze pastoor was een De Gruyter en net zoals mijn vader een telg uit de levensmiddelen handel, wat een band schiep.  Bovendien beschouwde men pastoor de Gruyter als een sociaal type wat ons al werd ingepeperd bij de eerste Heilige Communie omdat we allemaal hetzelfde kostuumpje moesten dragen zodat er geen onderscheid in rangen en standen was te zien. De verhalen van de pastoor gaven de doorslag en ik “koos” voor Beekvliet, behalve een klein seminarie ook een kwalitatief goed gymnasium. Als klein menneke ging ik naar kostschool.

Beekvliet
Beekvliet floreerde in de late herfst van het Rijke Roomse Leven en het werd al snel duidelijk dat alleen een ‘bepaald soort’ op een dergelijke school mocht zitten. Functioneerde je niet goed dan verdween je stilletjes. Wat zowel voor leerlingen als sommige leraren gold. Maar wat we desondanks ook leerden was sociale bewogenheid en pragmatisch sociaal oplossingsgericht handelen. Daar ben ik ze nog steeds dankbaar voor.
Vanaf de vijfde klas was het priesterschap niet meer vanzelfsprekend en ging ik op zoek naar een nieuwe uitdaging, mijn engagement was overigens niet verdwenen! In de zesde klas las ik een boek over Marx en vond dat niks, maar een artikel over de rol van filosofen in het Amerikaanse bedrijfsleven raakte wel mijn snaren.

Van Meirevolutie naar nu
In het jaar van de Meirevolutie toog ik terug naar onze familieroots en ging in Nijmegen filosofie studeren samen met oa Adrie van der Heijden. Ik zie mezelf nog zitten in de kelder van het instituut aan de prins Bernhardstraat waar wij werden voorbereid op onze studie door een driemanschap bestaande uit Paul Scheffer, Henk Hoeks en Hugues Boekraad.  “Of wij maar goed wilden begrijpen dat zij de baas waren en dat de hoogleraren naar hen dienden te luisteren.”
Een totaal nieuw vrijgevochten leven begon. In de ban van veel raakte ook ik overtuigd van de redenering dat ‘arbeiders zelf bestuur’ de ideale oplossing was voor een rechtvaardige economie.  Toch knaagde weer datzelfde gevoel als toen met het boekje van Sint Franciscus.
Nu vele jaren later ben ik nog steeds niet uitgedacht en knaagt nog steeds dat onzekere gevoel van hoe om te gaan met economische ongelijkheid met respect voor de vitaliteit van economische krachten en processen.
Intussen weet ik wel heel zeker dat economische ongelijkheid de belangrijkste oorzaak van conflicten tussen mensen en volkeren is.  Op het moment dat het verschil tussen rijk en arm buitenproportioneel  groeit wordt een oorlog geboren.
Sint Franciscus heeft ons daarvoor gewaarschuwd en hij is niet de enige gebleven waar nauwelijks naar wordt geluisterd.

Hubert C.W. Hendriks

———————————————————————————-

2  MUZIEK OP BEEKVLIET EN WAT DAARNA GEBEURDE

Ook Hubert Hendriks nam deel aan het leven op Beekvliet. Na enige jaren filosofie aan de KUN ging hij daar theologie studeren en werd eerst docent bedrijfsethiek, vervolgens directeur contractonderwijs aan het Economisch College Nijmegen om uiteindelijk een succesvol eigen bedrijf te leiden in cultuurmanagement.
Dit alles naast de rol van actief musicus als violist / zanger in het vermaarde orkest “Die Flegel”.
Hubert Hendriks was een van die adepten uit dat actieve Lax groepje.

Muziek op Beekvliet en wat daarna gebeurde.
Vanuit het raam van mijn werkkamer kijk ik uit over de Berg en Dalseweg in Nijmegen en zie de machtige contouren van het voormalige Canisius college. Dat was ook zo’n kostschool ooit. Twee huizen verder weet ik de werkkamer van de historicus Antoon van de Sande ook een oud Beekvliet bewoner.
Ter inspiratie bij dit artikel zet ik die vermaledijde Johannes Messe van Meyer Kundt op. Geen grootse compositie, geen schitterende vertolking, maar wel veel herinneringen.
Misschien had ik toch beter die andere LP op kunnen zetten met onder andere het Agnus Dei van Benjamin Britten. Ik zie ons met zijn negenen die mis repeteren op de orgelzolder van de kapel. Ik zie mezelf met Raymond de Glas in het trappenhuis van het lokalencomplex naast de Duitse bouw vioolduo’s spelen, dat klonk zo lekker… Het trappenhuis naast de gymzaal waar ooit wijlen Ad Simkens uit de ringen viel en het hele zorgzame apparaat van Beekvliet in werking trad alsof er toen al alarmscenario’s waren.

Ik heb goede herinneringen aan Beekvliet. Een overdaad aan flarden van belevingen slaat toe. Zingen en vioolspelen voerden de boventoon. Het jaarlijks songfestival, sportdagen, de Cantorij, de Culturele Club, het Karillon en de tegenhangers ervan en daarnaast hockey, honkbal en toneelspelen. En zomers zwemmen met de kans een glimp van Sandra Reemer op te vangen. En speelse combinaties zoals een ‘musical’ op muziek van Willy Barten en Gerard Habraken met tekst van Jan van Laarhoven. Op Beekvliet deed je alles tegelijkertijd. Ook nog studeren.

Filosofie en theologie.
Uiteraard moet ik me van Peter van Overbruggen beperken. Willy Barten vertelde al veel en Peter gaf me de opdracht om iets van mezelf na Beekvliet te vertellen en hoe dat Lax-virus om zich heen heeft gegrepen.
Priester worden, wie durfde dat nog of wilde dat nog…
Ik ging filosofie studeren en dook onder in de heerlijk wilde wereld van het Nijmeegse studentenleven. Een nieuwe lente leek werkelijkheid te worden. Arbeiders-zelfbestuur. Studentenraden. Het vrije leven met vrienden.  Hadden we wat in te halen?  Ook dit leven was leuk. Ondertussen toog ik nog twee jaar wekelijks naar het Beekvliets-orkest.
De dienstplicht riep en opnieuw werd ik geconfronteerd met enige grote vragen van het leven. Enige tijd werd ik ondergebracht bij deze discutabele kant van onze maatschappij. Oude emoties werden weer levend en ik besloot om alsnog theologie te gaan studeren en me op het pastoraat te storten. Ik werd gastvrij onthaald op de pastorie van De Verrijzenis van Christus in Nijmegen, een bijzonder actieve parochie.
Het sociaal en muzikaal begeleiden van het jongerenkoor lag voor de hand en daarnaast werd ik gevraagd op het Economisch College als docent bedrijfsethiek (in die tijd heel vernieuwend binnen het vak godsdienst) en moderator.
Mijn feeling met het bedrijfsleven en de ontwikkelingen in het economisch onderwijs maakten het mogelijk om een nieuwe tak in het onderwijs op te starten: het Contractonderwijs. Mij werd gevraagd om deze uitdaging bedrijfsmatig aan te pakken. Directer en intensiever contact met het plaatselijke bedrijfsleven en de her- en bijscholing van hun personeel betekenden immers een derde geldstroom.
Deze uitdaging verliep zo succesvol dat ik besloot voor mezelf een bedrijf te starten maar dan gericht op de steeds aanwezige completerende kant van mijn leven: de muziek. Want de ‘officiële’ banen waren bewust steeds parttime om daarnaast muziek te kunnen maken.  Vanaf die tijd kon ik beide combineren: het actief musiceren en de commerciële aanpak daarvan.

Muziek en Commercie.
Ik lees het artikel van Willy, zie artikelen over Jos van Veldhoven en Louis Buskens.  Zij zijn de gesubsidieerde kant van de cultuur ingeslagen. Van Thieu Lax heb ik de aandacht voor de hartveroverende kant van de muziek overgenomen: plezier in muziek en dat overdragen aan je publiek, de meer commerciële aanpak. Ik pak mijn viool, loop naar een tafel en vraag wat de mensen horen willen.
Het succes van veel kerkmuziek zat hem erin dat de mensen in hun zielement geraakt werden door een totaalconcept. Het kleurenspel van het licht door glas en lood ramen, grote ruimten met pilaren, de geur van vocht, warmte en wierook, ruisende gewaden, rituelen volgens een vast ‘mystiek’ patroon en de klank van een mooie compositie.
Bij de jongerenkoren in de zestiger jaren werden andere maar vergelijkbare snaren geraakt. Een nieuwe generatie vroeg om andere taal en andere muziek: de intrinsieke behoefte leek dezelfde, maar vroeg om meer.
In diezelfde tijd werd ik docent bedrijfsethiek en ontwikkelde een driejarig lesconcept voor jongvolwassenen die daarna het bedrijfsleven in zouden gaan.  Razend boeiend en uitdagend om in die tijd van vernieuwing van gezagsverhoudingen en grote vrijblijvendheid een niet verplicht vak zodanig vorm te geven dat de leerlingen deze ‘meerwaarde’ wilden opnemen. Een leuke tijd. En als ik oud-leerlingen tegen kom refereren we altijd even aan de “wekelijks kritische kijk op cultuur, religie en samenleving”.
Uiteraard werd er ook een leraren/ leerlingen orkest bij gelegenheden gevormd.

Ondertussen had ik met een vriend van mijn studentenvereniging en enige leden van de begeleidingsgroep van het jongerenkoor een ‘salonorkest’ geformeerd.
“Die Flegel” was geboren en meteen vanaf het begin sloeg dit concept aan: melodieuze en dansbare muziek van door de tijden heen gebracht in een chique eigentijds jasje.  Achteraf bezien is het diezelfde drijfveer om middels repertoirekeuze en aanpak de mensen te veroveren als waarmee ik mijn lesprogramma’s schreef of het bedrijfsleven rekruteerde onze cursussen (op maat en klantgericht) te volgen.
Vanaf het begin sloeg dit concept enorm aan. Al jarenlang is onze agenda zodanig overvraagd dat we ernaast een klein gespecialiseerd impresariaat beheren. Zo’n 31 musici werken bij ons.  De rest van de tijd besteed ik aan cultuurmanagement een heerlijke activiteit om bedrijven en instellingen te begeleiden en te adviseren in hun cultuur-commerciële aanpak.
“Die Flegel” bestaat uit een pianist, bassist, soft-ritme, saxofonist en mezelf als violist/ zanger. Duitsland vormt 35% van onze markt en ons werkgebied ligt in de ‘betere’ horeca, bedrijfspresentaties en kleine theaters. Wij verzorgden onder andere het diner bij het bezoek van president Clinton aan Rotterdam en maken in november aanstaande op uitnodiging een tour van Los Angelos naar San Francisco.

Muziek op Beekvliet en daarna.
Muziek maken enerzijds, mensen veroveren anderzijds en commercie als een soort katalysator. En Beekvliet…
Het kostschoolleven heeft me geleerd om onder diverse omstandigheden met mensen om te gaan. De redelijk open sfeer van Beekvliet heeft me geleerd dat er in het leven veel mogelijk is.  Individuele docenten – we hadden best een heel corps met bijzondere figuren – waaronder Thieu Lax, hebben daarbinnen een heel eigen invloed gehad op een hele generatie en in ieder geval op mijn ontwikkeling.
Het kan ook zijn dat die afstudeerjaren van 1965 tot 1971 een unieke periode vormen binnen de geschiedenis van Beekvliet, aangezien in die jaren Beekvliet veranderde van een traditioneel klein seminarie naar een college dat `ijn blik richtte op de ‘grote boze buitenwereld’. Ik vind het nog steeds een prestatie hoe de toenmalige docenten en beleidsmakers ons behoorlijk vakbekwaam door die tijd heen hebben begeleid.
Zelf heb ik ervaren dat een brede interesse en opleiding veel deuren opent en veel goede kansen geeft. Mijn persoonlijke aanleg voor relativering, ethisch engagement en commercieel management heeft het Beekvlietnestgevoel en in het bijzonder het Lax virus, op de een of andere manier geïncorporeerd tot wat ik nu doe.

Nijmegen, april 1999
Hubert Hendriks

————————————————————————————-

3   PRECIES TEGENOVER TRIANON

Precies tegenover Trianon ben ik verwekt.
Mijn ouders trouwden in 1946 en gingen wonen op Berg en Dalseweg 58a een bovenhuis waaronder de familie Martin was gesetteld, een vriendelijk wat ouder en altijd in het zwart gekleed echtpaar. Daar kwamen de eerste kinderen ter wereld en de wandelwagen werd gestald  ofwel bij Trianon ofwel bij familie de Laak.  In 1950 verhuisden mijn ouders en tijdens de verhuizing werd ik geboren.
Later ging ik in Nijmegen studeren en kreeg een kamer boven L’Ambassadeur, de nachtclub van een achternicht op de hoek van de Nieuwstraat.  Een heerlijke tijd waarbij de dinsdagavond steevast werd doorgebracht in Trianon.  Ik was lid van Alphons Diepenbrock en na de repetitie was Trianon vast pandoer.  Met een kleine groep bleven we dan tot in de kleine uurtjes toepen of klaverjassen in dat onvoorstelbare interieur, waarbij John van Weel regelmatig knikkebollend achter de tap stond.
Na mijn studie maakte ik een echte Nijmegen Oost carrière. Begonnen op de Koolemans Beijnenstraat, vervolgens naar de Tooropstraat en uiteindelijk naar de Jozef Israëlsstraat en de Berg en Dalseweg.
Het onvoorstelbare interieur van Trianon bleef bezocht worden. Soms voor gewoon even, vaker voor een vergadering of feestelijke bijeenkomst.
Een van die bijeenkomsten was het huwelijk van een vriend.  Voor het avondfeest wilden we met het gezelschap van veertig personen  dineren.  Ik vroeg John van Weel of ik in dat keukentje mocht koken en hij vond het een uitdagend idee, waarbij hij een gezicht trok van ‘hoe denk je dat voor elkaar te krijgen?’
Nou het ging prima en het was reuze gezellig , vier gangen voor 40 personen. Eigenlijk 43 want voor de van Weels maakte ik uiteraard ook bordjes.
In Trianon liggen veel mooie momenten en herinneringen. Iedere keer als ik binnenkom in dat onvoorstelbare interieur zie ik mezelf daar met vrienden aan een tafel zitten toepen of intensief discussiëren over de wereld, een glimlach op mijn gezicht.

Hubert Hendriks
Nijmegen Oost, November 2012

4    MADONNA MET DE VLINDERS
“Met hoge heren is het kwaad kersen eten”
 

In het prachtige boek van Clemens en André staat onder andere het oudst bewaarde schilderij op doek, de Vlindermadonna met inderdaad vlinders, engelen en niet te vergeten een kers.

Clemens en André rekenen dit aansprekende vernieuwende schilderij tot het werkgebied van Johan Maelwael, een Nijmegenaar die furore maakte aan het Franse Hof en het mogelijk heeft gemaakt dat de Gebroeders van Lymborch – die kort daarvoor hun vader hadden verloren – naar Parijs konden komen. Dat was een zorg minder voor de in Nijmegen achtergebleven weduwe van Lymborch – Maelwael. Zij was een zus van Johan.
 
Het is de moeite waard om wat langer naar dit schilderij te kijken omdat het door en door over hun tijd vertelt, net iets voorbij 1400. In het boek wordt al gesproken over de emotie en Pieter Derks vertelt in een van zijn filmpjes enthousiast over de eerste tekenen van de renaissance met een levendige Jezus die heel menselijk  naar een kers grijpt.
Achteraf gezien is het niet raar dat Maelwael op doek begint te schilderen. Onze ambachtelijke schilders waren gewend op allerlei materialen te schilderen waaronder ook doeken die een zaal konden aankleden of een tent wat feestelijker maakten. De sprong naar een serieuze schildering op een gespannen doek lag voor het grijpen. Maar hoe dan ook, je moet maar op het idee komen.
De sprong naar een schilderij op doek, die Maelwael maakte, was dus naast te verwachten echt een historische daad en het begin van een nieuwe kunstvorm.
 
De huidige mens denkt bij vlinders niet spontaan aan wederopstanding en hemelvaart. Middeleeuwers konden wel wat met dat beeld in de combinatie met het Jezuskind. De vlinders vertellen al iets over wat die Jezus te wachten staat. Op sommige kersttaferelen zie je regelmatig een kruis afgebeeld waarmee ook iets over zijn toekomst wordt voorzegd.
Voor de middeleeuwer heeft een vlinder diverse betekenissen. Naast de kortstondigheid van het leven symboliseert de vlinder ook de metamorfose van leven en dood naar wederopstanding. Jezus is in de middeleeuwen onder andere beroemd omdat hij uit de dood is opgestaan en bovendien naar de hemel is opgestegen. Die tere vliegende vlinders op dit schilderij rond het hoofd van baby Jezus vertellen zo een aansprekend verhaal over wat hem allemaal gaat overkomen en al bekend is aan de toeschouwer.
 
Vervolgens zien we een serie engelen in het rood. De middeleeuwen zouden de middeleeuwen niet zijn als dat geen betekenis heeft. Engelen kennen een rangorde. Het hele stelsel voert nu te ver.
Op dit schilderij zien we eerst rode engelen. Die rode kleur staat voor de engelen met de hoogste rang, de serafijnen. Serafijnen worden ook wel de ‘brandenden’ genoemd en deze engelen van liefde, licht en vuur vliegen rond de troon van God. De toeschouwer weet zo, hier is het goddelijke aanwezig.
Dan komen de cherubijnen. Zij staan bekend als de overbrengers van de kennis en wijsheid van God aan de mensen. Deze baby Jezus komt als een mens maar brengt het goddelijke met zich mee ziet de toeschouwer.  Ja de 14e eeuwse toeschouwer ziet een heleboel en ziet dat ook echt omdat deze beeldtaal tot zijn vocabulaire hoort.
 
Zelf vind ik die kers het meest fascinerend. Kijk maar eens hoe het kind naar die kers grijpt die aan het steeltje wordt aangereikt door een van de cherubijnen. Ook Maria werpt een steelse blik.
‘Nou en’ denk je misschien, maar ook hier wordt een verhaal verteld.
 
Daar hoort wel wat achtergrondinformatie bij. Rond 1400 was er nog niet zoveel fruit bekend. Appels, peren, bramen en kersen waren algemeen bekend en dat was dan ook het assortiment. (In de loop van de 15e eeuw wordt dit assortiment overigens behoorlijk uitgebreid.) De appel was door Eva haar avontuur in het paradijs een problematisch stuk fruit geworden om af te beelden in een goddelijke context.
Kersenbomen waren rond 1400 zonder meer iets bijzonders. Ze stonden alleen in de hoven van kloosters en kastelen.  De kers werd in de beeldtaal en het volksbegrip als een hoger soort vrucht gezien. De kers symboliseert het positieve van het paradijs en de hemelse volmaaktheid voor de middeleeuwer.  Jezus grijpt nog even naar het hemelse leven wat hij achter zich heeft gelaten om hier op aarde de mensheid te komen redden middels een lijdensweg die hij moet gaan. Kom daar maar eens om in 2018.
 
Hoe bijzonder kersen werden gezien zegt het spreekwoord “Met hoge heren is het kwaad kersen eten”  Dit spreekwoord bestaat in vrijwel alle Europese talen en is goed bekend in de middeleeuwen.  Volgens de overlevering aten vrijwel alleen hooggeplaatste personen kersen en met hen is het moeilijk onderhandelen omdat ze tijdens dat onderhandelen de pitten naar je toe sprietsen. Wat het afbeelden van één kers al niet vermag.
 
Hubert Hendriks,
maart 2018
 
 
5  ECONOMISCH GEHANDICAPT
Pleidooi om een minder bekende handicap te accepteren.

Bijdrage voor de Week van de armoede 2018

Als wij worden geconfronteerd met een fysieke aandoening of beperking, dan staat een indrukwekkend apparaat aan gezondheidszorg voor ons klaar. Daar hebben we enorm veel geld voor over, steeds meer. Experimenten worden streng gecontroleerd. ‘Kwakzalvers’ komen in botsing met strikte wetgeving. Talloze professionals in vele disciplines worden deskundig opgeleid voordat ze aan ons lichaam mogen komen. Een klein percentage is ongeneeslijk of onherstelbaar.

Wanneer de ziekte niet te genezen is of de beperking niet kan worden weggenomen noemen we zo iemand gehandicapt. Zijn lichaamsfuncties zijn gestoord. De lichamelijke omissie is een functionele beperking van mens te zijn.  De acceptatie van dit percentage fysiek beperkte mensen is behoorlijk hoog.

Als een mens geestelijk ziek is belanden we in een wat ingewikkelder proces. Zowel het definiëren van de ziekte als het behandelen ervan is minder helder vastgelegd. De menselijke geest roept nog altijd talloze vragen op waar we onvoldoende antwoord op kunnen geven. De range tussen licht overspannen en volledig schizofreen of volslagen krankzinnig is groot en behandelingen kosten veel tijd en resulteren nogal eens slechts in symptoombestrijding. In deze discipline staat de professionaliteit regelmatig ter discussie en is sprake van een veel minder gedifferentieerd opleidingsaanbod. Bij  het helpen en begeleiden van deze zieken mogen ook niet-professionals ingezet worden. Onduidelijke ‘deskundigen’ weten mensen om zich heen te verzamelen met nog onduidelijker resultaten. De bekostiging staat financieel voortdurend onder druk. Een klein percentage van de geestelijk zieken is nagenoeg onbehandelbaar.

Wanneer de ziekte niet te genezen is noemen we zo iemand geestelijk gestoord. Zijn geestkracht is gehandicapt. De geestelijke omissie is een functionele beperking van mens te zijn. De acceptatie van dat percentage geestelijk zieken is veel minder groot dan van de fysiek gehandicapten onder ons.

Als een mens economisch ziek is[1]… Hier introduceer ik een niet vaak gebruikte term in die enige uitleg behoeft.

Als een mens economisch ziek is komen we in een wirwar van regels terecht. Overheden, kerken, gesponsorde en gesubsidieerde instanties en goedwillende particulieren bewegen zich in deze omgeving. We hebben er van overheidswege slechts zeer beperkt geld voor over. Professionaliteit in het bestrijden van concrete economische nood wordt voortdurend bevraagd en is nauwelijks in kaders onder te brengen. Overheden en particulieren zijn voortdurend op zoek naar elkaar. Bij het begeleiden van deze mensen wordt wel naar professionele werkvormen gezocht maar het echte werk is veelal in handen van goedwillende particulieren. De economische patiënt is een speelbal binnen de armoede discussie. Een deel van hen is helaas ongeneeslijk en mist het vermogen ‘er bovenop te komen’. De vangnetten die de overheid heeft bedacht middels bijstand en toeslagen blijken bij deze mensen onvoldoende te werken.

Wanneer de ziekte niet te genezen is noem ik zo iemand economisch gestoord. Zijn economisch vermogen is gehandicapt. De economische omissie is een functionele beperking van mens te zijn. De acceptatie van dat percentage economisch zieken is echter een voortdurende discussie met ieders eigen economische verantwoordelijkheid als vast maar betwistbaar uitgangspunt.

We hebben talloze voorzieningen getroffen en regels bedacht voor de lichamelijk gehandicapte medemens. We creëren verblijfsplekken en bedenken systemen om de geestelijk gehandicapten te begeleiden of op te vangen.  Mijn pleidooi is het om te accepteren dat ook de economisch gehandicapte mens een maatschappelijke realiteit is om er vervolgens serieus werk van te maken wat we voor deze economisch gehandicapte medemens kunnen doen.

Nijmegen, week van de armoede 2018
Hubert Hendriks, scheidend voorzitter voedselbank Nijmegen-Overbetuwe.

[1](Hubert Hendriks:‘Economicitis as a social disease’ te verschijnen september 2019)


6   “EN JE MOET HEM DE NAAM JEZUS GEVEN”

Al meteen aan het begin van het Nieuwe testament wordt het belang van een naam beschreven. “Je moet hem Jezus noemen” (Luc. 1:30-33).
Een naam geeft betekenis en identiteit. We weten meer van de benoemde dan zomaar. Het is opvallend dat Judas in het lijdensverhaal niet die naam Jezus gebruikt (Luc. 22:4-5), Jezus is een ‘hem’: “Wat geven jullie me als ik hem aan jullie uitlever?”
Door een persoon niet bij zijn naam te noemen nemen we afstand van die individu: we laten zijn naam los. ‘Het zijn die etnische minderheden’ hoor je al snel of vaker meer tendentieuze negatieve aanduidingen voor anonieme bevolkingsgroepen (kut-Marokkanen). Wanneer mensen daarentegen in de praktijk kennis maken met de levensgeschiedenis van concrete individuen (Ajwad en Dunyana bijvoorbeeld) ontstaat er in veel gevallen een minder afstandelijke en minder voor-oordelende houding tot actiegroepen voor Lili en Howick toe.

Een naam, oftewel het verhaal dat bij een concreet individu hoort, geeft die mens de meerwaarde die hij verdient. Iedere meerduidige benoeming is het begin van afstand nemen tot die persoon. Bij ”je moeder belde” of “die buren” lijkt dat nog redelijk onschuldig maar bij “dat blondje’ en zeker bij “die joden” begeef je je op behoorlijk glad ijs. In de Auschwitz documentatie lees je hoe intens denigrerend het is dat ze (“die Duitsers”) je naam afnamen en je een nummer kreeg. Je persoon zijn werd weggevaagd.
Het is dan ook begrijpelijk dat onze medeburgers met een joodse achtergrond heel veel moeite hebben met het BSN (burgerservicenummer).

Voor heel wat administratieve handelingen zijn je naam en je adres (je persoonlijke vindbaarheid) onvoldoende en dien je het BSN toe te voegen. Ik durf te stellen: hoe afstandelijker je persoonsaanduiding hoe minder je bestaat. De tendens om te depersonaliseren grijpt overigens om ons heen en we weten vaak niet meer waar een aanduiding voor staat. Ik gaf vroeger les op het Hazenkampcollege voor MEAO van de stichting Sint Jozefscholen. Daarmee werd zowel een locatie als de inhoud van het onderwijs als de identiteit aangegeven. Bij een fusie ontstond de naam Economisch College Nijmegen. De locatie werd diffuser de inhoud van het onderwijs werd vager en over identiteit werd niet meer gesproken. Nog een fusie verder ontstond het ROC Nijmegen en dat deze anonieme moloch iets met beroepsopleidingen te maken heeft is het enige wat overbleef. Zo zijn er nog talloze andere voorbeelden te geven waarbij de naam van een instelling -desnoods met een heilige- ergens voor stond. Nu hebben we te dealen met volledig afstandelijke lettercombinaties en is identiteit alleen maar een vraag voor een speciaal benoemde interne commissie.

CWZ, SSGN, SGN, VGZ, KUN, OCP etc.  En zowaar ‘Persona’ waarbij ik altijd ‘non grata’ denk.
“En je moet hem de naam Jezus geven” klinkt mij als een wijs advies in de oren. Heel oneerbiedig gezegd “geef het beestje een naam”. Met een naam geef je identiteit en kun je het unieke verhaal beschermen. Met een naam kunnen we elkaar in de ogen kijken: “Wie ben jij?” “Ik ben Hubert en sympathiseer met het OCP Sint Steven” bijvoorbeeld.

Januari 2019